HvJ – Zaak C-428/15 Child and family agency t. J.D.

Posted on Posted in Familie, Jeugdrecht, Justititiële samenwerking in burgerlijke zaken

HvJ – ARREST – 27 oktober 2016 – Zaak C-428/15 – D. – Ierland – ECLI:EU:C:2016:819 – arrest

  • Disciplining forum shopping not a relevant consideration under Brussels IIa. CJEU in Child & Family Agency v J.D., 4.11.2016 (GAVL)

Uithuisplaatsing van een kind

Verordening (EG) nr. 2201/2003. D. is onderdaan van het VK. Haar eerste kind is in 2010 in het VK in een inrichting geplaatst, nadat was vastgesteld dat zij aan een persoonlijkheidsstoornis, en dat zij haar kind lichamelijk had mishandeld. Terwijl zij nog in die lidstaat woonde heeft D., met het oog op de geboorte van haar tweede kind, R., en ingegeven door haar medische en familiale voorgeschiedenis, een door de kinderbeschermingsautoriteiten van haar verblijfplaats uitgevoerd prenataal onderzoek ondergaan. Daaruit bleek met name dat D. genegenheid had getoond jegens haar eerste kind, dat zij de geboorte van haar tweede kind positief tegemoetzag, dat zij voorbereidingen voor die geboorte had getroffen en, in het bijzonder, dat zij zich bereid had verklaard om in dat kader met maatschappelijk werkers samen te werken. De bevoegde autoriteiten waren niettemin van mening dat R. in een pleeggezin moest worden geplaatst, in afwachting van een adoptieprocedure. D. is in Ierland gaan wonen. Op 25 oktober 2014 is R. in laatstgenoemde lidstaat geboren, waar zij sindsdien samen wonen. Kort na de geboorte van R. heeft het agentschap de bevoegde District Court (districtsrechter, Ierland) verzocht uithuisplaatsing van dat kind te gelasten. Dat verzoek is afgewezen omdat het door het agentschap aangevoerde bewijs „van horen zeggen” uit het VK De Ierse rechter heeft tijdelijke plaatsing van R. in een pleeggezin gelast. Die maatregel is sindsdien regelmatig verlengd.

Hof: Artikel 15 van verordening (EG) nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op een publiekrechtelijke vordering inzake kinderbescherming, die is ingesteld door de bevoegde autoriteit van een lidstaat en strekt tot vaststelling van maatregelen op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid, wanneer, ingeval een gerecht van een andere lidstaat zich bevoegd verklaart, zulks vereist dat een autoriteit van deze laatste lidstaat vervolgens, los van de procedure die in de eerste lidstaat is ingeleid, zelf een procedure begint op grond van haar nationale recht en mogelijk met betrekking tot andere feiten.

Artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat:

– het bevoegde gerecht van een lidstaat eerst tot de slotsom kan komen dat een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, beter in staat is om de zaak te behandelen, nadat het zich ervan heeft vergewist dat verwijzing van de zaak naar een dergelijk gerecht werkelijk en concreet toegevoegde waarde kan bieden voor het onderzoek van die zaak, met name gelet op de in die andere lidstaat geldende procedurele bepalingen;

– het bevoegde gerecht van een lidstaat eerst tot de slotsom kan komen dat een dergelijke verwijzing in het belang van het kind is, nadat het zich er met name van heeft vergewist dat die verwijzing geen negatieve gevolgen kan hebben voor de situatie van het kind.

Artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat het bevoegde gerecht van een lidstaat bij toepassing van die bepaling op een bepaalde zaak betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid noch rekening moet houden met de uitwerking van een eventuele verwijzing van de zaak naar een gerecht van een andere lidstaat op het recht van vrij verkeer van andere betrokken personen dan het kind in kwestie, noch met de drijfveer van de moeder van dat kind om dat recht uit te oefenen vóór het bevoegde gerecht werd aangezocht, tenzij overwegingen dienaangaande erop duiden dat er negatieve gevolgen kunnen zijn voor de situatie van het kind.