Einduitspraak HR na arrest EU-Hof over rijnvarende, E101-verklaring en scheepspatent

Posted on Posted in Sociale zekerheid

Hoge Raad – 22 januari 2016 – ECLI:NL:HR:2016:82

De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan na het arrest van het EU-Hof van 9 september 2015 in gevoegde Zaken C-72/14 en C-197/14 X, van Dijk. In die zaak hebben het Gerechtshof Den Bosch en de Hoge Raad vergelijkbare vragen gesteld (zie hieronder). Het EU-Hof heeft geoordeeld dat een door een lidstaat op grond van verordening 1408/71 afgegeven E101- verklaring niet bindend is voor andere lidstaten indien er sprake is van een rijnvarende die onder het Rijnvarendenverdrag valt. Dit geldt ook indien het orgaan van afgifte niet beoogde een E101 verklaring af te geven.

Belanghebbende beroept zich op het ontbreken van het scheepspatent. Volgens het Gerechtshof kan het ontbreken van het scheepspatent er niet toe leiden dat de conflictregel die het Rijnvarendenverdrag geeft, niet van toepassing is, aangezien de regeling inzake het scheepspatent een ander doel dient dan deze conflictregel. Volgens de Hoge Raad, die verwijst naar een eerdere uitspraak van 11 oktober 2013, ziet de conflictregel slechts op rijnvarenden, en in de definitie van rijnvarende in artikel 1, letter m, van het Rijnvarendenverdrag wordt de eis gesteld dat het desbetreffende schip is voorzien van een scheepspatent als bedoeld in artikel 22 van de Herziene rijnvaart akte (hierna: HRA). De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het Gerechtshof. Het verwijzingshof zal moeten beoordelen of de Inspecteur met zijn brief met bijlagen van 25 april 2012, die ontbreekt in de gedingstukken, aannemelijk heeft gemaakt dat het schip beschikte over het scheepspatent. Het zal daarbij acht dienen te slaan op onderdeel 3.4.2 van het arrest van 11 oktober 2013 [zie hieronder of klik op de link]. De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof en verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam.

 

EERDERE UITSPRAAK HOGE RAAD OVER RIJNVARENDE, waarnaar verwezen wordt in de einduitspraak van 22 januari 2016

 

Hoge Raad – 11 oktober 2013 – ECLI:NL:HR:2013:CA0827

3.8.2 Artikel 7, lid 2, aanhef en letter a, van de Verordening nr. 1408/71 bepaalt dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft. Aangezien belanghebbende gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen als rijnvarende moet worden aangemerkt, is op hem het Rijnvarendenverdrag van toepassing en wordt de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving niet bepaald door de Verordening nr. 1408/71. Daarom kan in het onderhavige geval geen betekenis worden toegekend aan een door Luxemburg afgegeven E 101-verklaring, die immers alleen van belang is in verband met de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van de Verordening nr. 1408/71 (vgl. het hiervoor in 3.4.1 vermelde arrest van 9 december 2011).

3.4.2. Het tweede middel is terecht voorgedragen voor zover het zich richt tegen het oordeel van het Hof dat het ontbreken van een scheepspatent niet in de weg hoeft te staan aan toepassing van de conflictregel van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag. Die conflictregel ziet namelijk slechts op rijnvarenden, en in de definitie van rijnvarende in artikel 1, letter m, van het Rijnvarendenverdrag wordt de eis gesteld dat het desbetreffende schip is voorzien van een scheepspatent als bedoeld in artikel 22 van de HRA.

Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Op grond van de brief met bijlage van de Inspecteur, vermeld in onderdeel 3.4 van zijn uitspraak, heeft het Hof – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat het schip was voorzien van een certificaat dat is afgegeven op grond van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995. Een dergelijk certificaat wordt door de bevoegde Nederlandse autoriteiten afgegeven met het oog op het gebruik van het schip op een nader omschreven gedeelte van de Rijn. Het berust op onderzoek door de Commissie van Deskundigen voor de Rijnvaart naar de bouw, inrichting en uitrusting van een schip in overeenstemming met normen die door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn vastgesteld ter uitvoering van artikel 22 van de HRA (zie de onderdelen 5.1 tot en met 5.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Het certificaat is daarom een scheepspatent als bedoeld in artikel 22 van de HRA. In verband daarmee behoeft het tweede middel geen behandeling voor zover het zich met motiveringsklachten richt tegen het oordeel van het Hof dat het afgegeven certificaat met een zodanig scheepspatent kan worden gelijkgesteld.

 

PREJUDICIËLE VERWIJZINGEN HOF DEN BOSCH EN HOGE RAAD

 

Hof Den Bosch, prejudiciële verwijzing 7 februari 2014: ECLI:NL:GHSHE:2014:248 (zaak C-72/14)

Is Nederland aan de E101-verklaring gebonden, ook als deze inhoudelijk onjuist is? Maakt het uit dat Luxemburg niet beoogde een E101-verklaring af te geven, maar belanghebbende meende en ook redelijkerwijs mocht menen een E101-verklaring te hebben ontvangen?

 

Hoge Raad, prejudiciële verwijzing 28 maart 2014: ECLI:NL:HR:2014:683 (zaak C-197/14)

Moet de Hoge Raad in een prejudiciële vraag gesteld door een lagere nationale rechter aanleiding zien om een prejudiciële vraag aan het HvJ voor te leggen of de beantwoording van die door de lagere nationale rechter gestelde vraag af te wachten, ook indien hij van oordeel is dat sprake is van een ‘acte clair’? Betekenis E101-verklaring voor een rijnvarende.

 

ARREST HVJEU 9 september 2015 Gevoegde zaken C-72/14 en C-97/14

Hof: (1) Artikel 7, lid 2, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 en de artikelen 10 quater tot en met 11 bis, 12 bis en 12 ter van verordening (EEG) nr. 574/72 moeten aldus worden uitgelegd dat een verklaring die het bevoegde orgaan van een lidstaat, in de vorm van een E101-verklaring, heeft afgegeven teneinde te bevestigen dat een werknemer is onderworpen aan de sociale wetgeving van die lidstaat, terwijl deze werknemer valt onder het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, niet bindend is voor de organen van de andere lidstaten, en dat het in dit verband niet relevant is dat het orgaan van afgifte niet beoogde een echte E101-verklaring af te geven, maar om administratieve redenen het standaardformulier van die verklaring heeft gebruikt.

2)      Artikel 267, derde alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, zoals de verwijzende rechter, niet gehouden is zich tot het Hof van Justitie van de Europese Unie te wenden op de enkele grond dat een lagere nationale rechter in een zaak die vergelijkbaar is met de aan haar voorgelegde zaak en die betrekking heeft op exact dezelfde problematiek, een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, noch om de beantwoording van die vraag af te wachten.