Prejudiciële vragen Rb Den Haag over bewaring vreemdeling, Opvangrichtlijn en artikel 6 Handvest grondrechten EU

Posted on Posted in Asiel, migratie en unieburgerschap

Rechtbank Den Haag – 13 januari 2016  -ECLI:NL:RBDHA:2016:265 – verwijzing –  Zaak C-18/16 (PPU) K 

RICHTLIJN 2013/33/EURICHTLIJN 2013/32/EUHANDVEST GRONDRECHTEN EU. Rechtmatigheid bewaring ex artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b, Vw gezien geldigheid artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn. Eiser is op 30 november 2015 op de luchthaven van Amsterdam Schiphol aangekomen met een vlucht uit Wenen. Hij was voornemens op dezelfde dag door te vliegen naar het VK. Bij de documentcontrole is gebleken dat hij gebruik maakte van een vals paspoort. Eiser is vervolgens in verband hiermee in strafrechtelijke voorlopige hechtenis genomen. Tijdens zijn strafrechtelijke detentie heeft eiser een asielverzoek ingediend. Bij besluit van 17 december 2015 is eiser in vreemdelingenbewaring gesteld. Het besluit is gebaseerd op de grond dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en op de grond dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen.  Tegen eiser is tot dusverre geen terugkeerbesluit uitgevaardigd.

De rechtbank verzoekt het HVJEU de volgende prejudiciële vraag met de spoedprocedure te beantwoorden:

Is artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn geldig in het licht van artikel 6 van het Handvest:

(1) in de situatie dat een onderdaan van een derde land krachtens artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn in bewaring is gesteld en krachtens artikel 9 Procedurerichtlijn het recht heeft om in een lidstaat te mogen blijven totdat in eerste aanleg een beslissing op zijn asielverzoek is genomen, en

(2) gelet op de Toelichting (PB 2007 C 303/02) dat de beperkingen die rechtmatig aan de rechten van artikel 6 Handvest kunnen worden gesteld, niet verder mogen strekken dan die welke door het EVRM in de tekst zelf van artikel 5, aanhef en onder f, zijn toegestaan en de uitleg van het EHRM van deze laatste bepaling in onder meer het arrest van 22 september 2015, Nabil e.a. tegen Hongarije, 62116/12, dat een bewaring van een asielzoeker in strijd is met voormeld artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, indien deze bewaring niet is opgelegd met het oog op verwijdering?

 

Jurisprudentie: HvJEU 5 juni 2014, C-146/14 PPU, Mahdi; HVJEU Lopende zaak C-601/15 PPU  (prejudiciële verwijzing van de Afdeling); EHRM 22 september 2015, Nabil e.a. t. Hongarije